5. De Aanslag

 

5.    De Aanslag

De vredige stilte van de van kerkgangers verlaten weg werd verscheurd door de droge knallen uit het pistool dat de onverhoeds tevoorschijn gesprongen Belg op de verblufte molenaar richtte. De ogen nog vol verbazing en ongeloof viel Huub Wevers zijdelings tussen de beide rijwielen die hij aan de hand had, terwijl zijn echtgenote aan de overkant, in de winkel, een fietsplaatje te leen vroeg.

De fietsen vielen half over hem heen en raakten kletterend het wegdek. Een wiel bleef maar doordraaien toen het slachtoffer, in de buik getroffen, een zwakke en vergeefse poging ondernam zich op te richten, blijkbaar om zich te verdedigen. Het met leder overtrokken houten been dat met een riem over zijn schouder bevestigd was, bood hem geen kans, drukte hem terug tussen de sturen en het frame. Weerloos was hij overgeleverd aan de dader, die zijn behoedzaamheid had laten varen.

Uit zijn broekzak haalde de Belg een kerfmes tevoorschijn, rukte het open en boog zich over de molenaar.

De molenaarster, Martha, moet niet begrepen hebben wat er aan de hand was, spoedde zich de winkel uit, de weg over, wilde tussenbeide komen, menende dat het om een ordinair handgemeen ging. Het roodbevlekte staal waarmee de dader op haar man had staan inhakken en de ogen die haar vreemd en vreeswekkend aanstaarden deden haar vrijwel meteen beseffen dat ook haar leven in groot gevaar verkeerde.

Zo snel de zwakke benen haar dragen konden, rende ze weg — instinctief de weg naar haar kinderen, naar de molen. Maar tegen deze baarlijke duivel bestond geen verweer.

De vraag of de nu volgende schoten bestemd waren voor een omwonende die wellicht was komen toelopen, voor een toevallige passant, of voor de vluchtende vrouw, zal misschien nooit beantwoord worden. Maar feit is dat de molenaarsvrouw het moordend monster afleidde. Zijn doodsdrift had zich op haar gericht.

De oudere dochter van Martha, die in de molen op de baby paste, werd door het geknal naar buiten gedreven. Later zou ze verklaren dat ze meende dat er op vogels jacht gemaakt werd — dat dat rond de molen wel vaker gebeurde.

Een kort moment maar was ze getuige van het pandemoniaal schouwspel dat zich voor haar ontstelde ogen ontrolde: de in doodsangst aansnellende moeder, en daarachter Janssen met het pistool in de aanslag, een mes in de andere hand.

De vrouw struikelde, krabbelde overeind, keek schichtig achter zich, trok haar jurk van voren omhoog om verder te rennen, maar bedacht zich. Haar dochter riep ze toe:

“Lies, ga naar binnen en sluit de deur!”

Zonder zich te bezinnen gaf de jonge vrouw gehoor aan deze oproep, niet beseffend dat ze haar moeder nooit meer zou terugzien.

Nadat de arme vrouw zich naar de aanstormende Belg gewend had, richtte zij zich in volle lengte op, alsof ze hem de toegang tot de molen wilde versperren. Op het moment dat Lies, haar dochter, de deur sloot, weerklonk de erbarmelijke kreet:

“Waarom doe je dat? Denk toch aan mijn kinderen!”

De razende Belg stormde op het slachtoffer toe. Zij had een arm geheven. Het baatte niet. Tot aan het heft verdween het mes in haar borst. Ze schokte achteruit, wankelde, wilde zich nog manhaftig vastgrijpen aan de buitenkraan en zakte op de knieën.

De Belg bleef als waanzinnig doorsteken. Ten tweede male stond de moordenaar met het kerfmes boven een zieltogend lichaam. Als een ordeloos hoopje lag de vrouw aan zijn voeten.

De wrong was door de woeste bewegingen losgeschoten, en de slierten haar vielen nu over haar schouders. Haar doorgegroefde handen grepen van de pijn krampachtig in haar zwarte jurk, die aan één kant omhooggetrokken werd zodat haar gekousde benen tot boven de knieën vrij kwamen. Ze kreunde.

De woesteling bleef een ogenblik wijdbeens staan, keek eerst in de richting van de grote weg, kennelijk om zich ervan te vergewissen dat niemand het in zijn hoofd gehaald had zijn handwerk te verstoren. Vervolgens golden zijn blikken de windmolen die daar fastueus in het vredige zonlicht van deze zondagmorgen blonk. Maar hij zag dit helemaal niet.

Was het wel een moment van bezinning? Klaarblijkelijk niet.

Zonder zich verder om zijn slachtoffer te bekommeren begaf hij zich naar de molen, naar de ingang van het daaraan palend bijgebouwtje, waardoor hij Lies — de jonge vrouw — had zien verdwijnen. De deur was op slot.

Zijn razernij werd een zondvloed waartegen geen ark bestemd was.

In zijn bezetenheid sloeg hij een zijraam geheel aan diggelen en wrong zich door de opening naar binnen.

De molenaarsdochter had zich inmiddels uit de voeten gemaakt: zij had haar heil gezocht in een vlucht vanuit het molenhuis onder de molendam door naar de begane grond in het maalwerk zelf, waar een trap naar boven voerde. Boven, op de maalzolder, bevond zich een deur naar buiten.

De moordenaar boog zich over de wieg, nam de baby eruit, maakte de deur open en stelde het wicht onder de hoede van de herdershond. Voorzichtig legde hij het schreiende kind op een kussen bij de draad van het hok, voordat hij voorbereidingen trof om brand te stichten.

Het verhaal gaat dat hij de gloeiende kolen die hij over het beddengoed strooide, in zijn frenesie met blote handen uit het fornuis gegrist heeft. Hoe dit ook zij: van elk detail dezer gruwelijke gebeurtenissen kan een redelijke reconstructie gemaakt worden, maar vanaf dit moment moeten we het stellen met vage beelden.

Omstanders en omwonenden hebben later op de morgen de burgemeester geholpen de beginnende brand te blussen, en achteraf viel nauwelijks meer vast te stellen wat door de blussers of door de dader vernield was. Getuigen hebben daarover geen uitsluitsel gegeven.

Na deze verschrikkelijke ellende over de molen en het gezin uitgestort te hebben, scheen de moordenaar weer enigszins tot bezinning te komen. Hij verliet de molen en spoedde zich over de tegenoverliggende wei naar de plek aan de Valkenburgerweg waar hij zijn rijwiel aan het oog onttrokken had, nadat hij die vroege morgen voor de tweede maal teruggekeerd was.

Vreemd genoeg had niemand zich vertoond, behalve de dochter, en ook op de weg was nu geen teken van leven te bespeuren. Hij sprong op zijn vehikel en fietste naar het westen, Nuth, de molen en een spoor van dood en verderf achter zich latend.

Reacties

Populaire posts van deze blog

VOORWOORD

1. Zondagochtend 25 juni 1933

4. De Hinderlaag