4. De Hinderlaag
4.
De Hinderlaag
Op de Valkenburgerweg tussen Nuth en Hunnecum boog Janssen,
vóór de woning van winkelier Muitjens, rechtsaf de Holleweg in die naar het
gehucht Hellebroek voerde. Hij stapte eerst af toen hij de zekerheid had dat
spiedende blikken vanuit de winkel hem niet meer konden bereiken. Daarna duwde
hij zijn rijwiel rechts de berm op om het daar achter een grote struik aan het
oog te onttrekken. Er was niemand te zien.
Vervolgens stapte hij door het nog natte gras naar het iets
verder gelegen weiland dat een zo uitstekende gelegenheid bood de weg naar de
molen, aan de overkant van de verharde weg, in de gaten te houden, zonder dat
de eerste de beste voorbijganger hem kon zien. Hier kende hij de omgeving als
geen ander. Hij hield ervan door de velden en dreven te dwalen waar hij
zichzelf kon zijn, alleen met zijn gedachten. Jaren had hij in Hunnecum
gewoond, een flinke steenworp verder. Als hij zich moeite zou doen, zou hij
wellicht hun woning tussen de bomen door kunnen ontdekken.
Slechts een paar flinke passen scheidden hem van de
prikkeldraad waar hij straks nog overheen moest om op de grote weg te kunnen
toeslaan. Hij bukte zich, verwijderde de fietsklem van zijn rechterbroekspijp
en stopte hem in de jaszak. In de andere voelde hij de zware Browning tegen
zijn heup drukken. Dat gaf hem een gevoel van sensatie, een gevoel van macht.
Verdomme! Was hij bijna vergeten het pistool te laden! Terwijl hij de houder
met de patronen uit het lucifersdoosje vulde, vielen hem enkele kogeltjes in
het hoge gras, maar door hun schittering vond hij ze terstond terug.
Toch nerveuzer dan hij gedacht had, had hij met zichzelf
overlegd: niet óf de daad gepleegd zou worden — nee, dat stond al bij de
aanvang vast. Zijn vrouw had het wel vreemd gevonden, zo vroeg op pad, maar de
van tevoren verzonnen uitvlucht scheen haar tevreden gesteld te hebben. Uit
niets was gebleken dat ze enige argwaan koesterde. Ze had verder geen vragen
gesteld. Gelukkig maar, want meestentijds kon ze behoorlijk doorzeuren. Knap
lastig kon ze zijn; daar kon hij wel over meepraten. Trouwens, het moest nu
maar gebeuren. Hij liet zich niet als een snotaap behandelen. Ze waren te ver
gegaan! Hij zou bewijzen dat met hem niet te spotten viel.
Zijn horloge wees nu twintig voor acht. Op de weg naar de
molen bleef alles rustig. Maar zo meteen moesten ze toch voor het voetlicht
treden; elke zondagmorgen ging het molenaarsechtpaar naar de vroegmis. Ja, hij
was goed geïnformeerd, alles was terdege voorbereid. De vroegmis begon om acht
uur en naar de kerk was het zeker een kwartier, het houten been van de molenaar
in aanmerking nemende.
De zon was inmiddels hoger geklommen, de schaduwen vóór hem
waren korter geworden en kropen naar hem toe. Waar bleven ze toch, verdomme!
Geërgerd joeg hij de mussen in de struiken naast hem weg. Ze kwetterden dat het
een lust was. Zo meteen zou een kerkganger nog door dat lawaai op hem attent
gemaakt worden! De ingang van de molen blonk hem nu in het zonlicht fel
tegemoet; het deed hem pijn aan de ogen, al dat getuur. Tien voor acht! Waar
bleven ze in vredesnaam! Of hadden ze zich verlaat, konden ze ieder moment
gehaast tevoorschijn komen?
De acht slagen van de kerkklok maakten hem duidelijk dat
alle moeite tevergeefs geweest was. Of de duivel ermee speelde! Eerst maakte
een doffe ellende zich van hem meester, al snel maakten deze gevoelens plaats
voor een opkomende woede. Moest hem nu altijd alle pech van de wereld ten deel
vallen? Kon hij nu nooit eens, al was het maar één keer, het geluk aan zijn
zijde vinden? Hij was voor het ongeluk geboren. Daar stond hij nu voor aap in
de wei.
Maar die Wevers, die kreeg hij te grazen. Daar rekende hij
mee af. Door een mankepoot liet hij zich niet kleineren. Oh nee, dan kende men
hem: slecht! Een te grote bek, dat had die molenaar, die hem bedreigd had! Hij
hoefde zich maar in de buurt van de molen te vertonen, dan zou hij hem met een
eind hout eigenhandig verjagen — dat had Wevers hem toegebeten. Hij was ertoe
in staat, het was een driftkop, maar hij liet zich toch zeker niet door zó
iemand de wetten stellen!
Eertijds waren ze nog maatjes geweest; meer dan eens hadden
ze elkaar in het café van Hunnecum ontmoet en samen een pot bier gedronken. Ze
woonden niet ver van elkaar af en tussen beide families was sprake geweest van
een relatie, weliswaar oppervlakkig, maar toch. De molenaarsvrouw, Martha, was
altijd voorkomend geweest, dat moest hij toegeven. Door zijn onregelmatige
diensten was hij vaker niet in de gelegenheid zijn koeien, die tegenover de
molen in de wei van weduwe Boumans graasden, te melken. Het geloei van de twee
beesten deed Martha de emmers grijpen en hij hoefde de melk maar te komen
afhalen. Een attente vrouw, in wezen een en al goedheid — dat was wel zo — maar
met deze ruzie had ze de kant van haar man gekozen.
Nee, van vriendschap was al sinds enkele jaren geen sprake
meer. Haat had zich tussen beide families gesteld; dreigementen over en weer.
En dat getreiter van Wevers had de deur dichtgemaakt. Na het mislukken van het
handeltje dat hij in Geleen opgezet had, was hij naar Houthem verhuisd, en daar
woonden ze nu sinds twee jaar. De beledigingen van de molenaar kon hij maar
niet vergeten. Die speelden maar door zijn hoofd, hadden hem in hun greep
gekregen.
Onverrichterzake keerde hij op zijn schreden langs het
weiland terug en greep vloekend zijn fiets, die nog onaangeroerd onder de
struik lag. Het was inmiddels half negen. Wat nu? Hij weifelde. Terug naar huis
en volgende week terugkomen? Hij draaide de Valkenburgerweg op, wierp een blik
naar de molen en fietste in de richting van waar hij vandaan gekomen was.
Nog geen twee minuten verder stapte hij plots af. Nee, hij
ging niet naar huis; vandaag moest het gebeuren, niet nóg eens die ellende van
een heimelijke voorbereiding. Hij zou hier en daar in Hunnecum een praatje
maken, even langsgaan bij zijn oud-buren en dan terugkeren vóórdat de hoogmis
om tien uur zou beginnen. Natuurlijk zouden ze die mis nemen. Dat het inmiddels
op het gevorderde uur drukker op de weg zou zijn, moest hij maar op de koop toe
nemen.
Na negenen maakte hij een eind aan het gekeuvel en begaf
zich weer richting Nuth. Een bekende fietste een eindje met hem mee, maar ter
hoogte van de molen hield Janssen in met de mededeling dat hij een boodschap in
de winkel van Muitjens moest doen. Daar heeft hij inderdaad, zoals uit latere
verklaringen gebleken is, een pakje shag gekocht, en het moet bij die
gelegenheid geweest zijn dat hij door de negenjarige dochter van de molenaar
opgemerkt werd. Zij haastte zich naar de molen om te melden dat ze Janssen
gezien had.
Waren de ouders al door dit bericht verontrust, ze lieten er
althans niets van blijken. De Belg had inmiddels zijn uitkijkpost weer bezet en
hij moet er niet lang gestaan hebben toen de kleine kinderen van het
molenaarsechtpaar eraan kwamen, kennelijk om de hoogmis te gaan bijwonen. De
moed zonk hem in de schoenen; de weg bleef verder leeg. Of had hij ze gemist?
Was zijn aandacht even verslapt door het passeren van andere kerkgangers, die
hij bijna allen van naam kende?
Het was na tienen, toen het lot hem in de kaart speelde. Net
op het punt van het voornemen af te zien, zag hij het echtpaar met de fiets het
grindpad afkomen. Een waas trok voor zijn ogen toen hij Wevers ontwaarde. Net
voordat ze zouden opstappen, stak de vrouw onverhoeds de weg over naar de
winkel. De bel van de winkeldeur was voor hem het sein tevoorschijn te komen.
Een sprong over de draad — en daar liep hij al de weg over naar de
nietsvermoedende Wevers, die een andere richting uitkeek.
Op het moment dat Janssen het pistool trok, keek de molenaar
op. Hij stond oog in oog met de moordenaar.
Reacties
Een reactie posten