2. Dorpsrumoer

 

2.    Dorpsrumoer

De tweevoudige moord op die gedenkwaardige zondagmorgen in juni 1933 vaagde de loomheid en serene rust over het dorp Nuth met één klap weg. Diep medegevoel met de achtergebleven kinderen, edele verontwaardiging en anderzijds botte sensatielust veroorzaakten een beroering die de omgeving nimmer gekend had.

De omstandigheid dat het ten hemel schreiend drama zich zonder getuigen had toegedragen, gaf voedsel aan allerlei geruchten, insinuaties en roddels. Niet alleen in, maar ook ver buiten de plattelandsgemeente werden de gebeurtenissen van de naald tot de draad uitgemeten. Allengs werden werkelijkheid en verbeelding op een vreemde manier met elkaar verbonden.

Alle registers werden opengetrokken, en in het schemergebied tussen waarheid en waan verloor ieder zich in bijzonderheden die op zichzelf gingen staan en daardoor ongrijpbaar werden. Eens te meer kwam naar voren dat de mensen die zich kalm en onbevooroordeeld in de blote feitelijkheden wilden verdiepen, op één hand te tellen waren.

Van lieverlede begon de naald steeds in dezelfde groef van de plaat te draaien. Bij nadere beschouwing zijn er maar weinigen die aangaande de moord gedachten op na houden die enige overweging waard zijn; ze zijn van het tweede echelon en in het beste geval iemands echo. Eenheidsworst dus.

Maar dit terzijde — en nu fluks verder met het verhaal.

We moeten beginnen met de vaststelling dat de dader, de veertigjarige Janssen, van nationaliteit een Belg was, geboortig van Vucht. De druk die de Duitse bezetting van zijn land — we hebben het over de Eerste Wereldoorlog — op hem uitoefende, was zo groot dat hij zich genoodzaakt zag zich aan te sluiten bij de stroom vluchtelingen die hier opgevangen werd in interneringskampen.

Hij zou vooreerst niet meer terugkeren. Gods wegen zijn ondoorgrondelijk. Hij had een meisje uit Nuth leren kennen en was met haar getrouwd. Niettemin: het inmiddels met een kind gezegende huwelijk hield geen stand, en steeds vaker zag men hem in de windmolen, waar tussen de Belg en de molenaarsfamilie een vriendschappelijke relatie groeide.

Hij moet er duivels aardig uitgezien hebben: een man van flinke gestalte, goed in het pak, ravenzwart golvend haar — een knappe verschijning waar vrouwen op vielen. Een moordvent.

En jawel, wat velen al hadden zien aankomen gebeurde: het huwelijk liep spaak. Hij ging gescheiden leven en probeerde eerst zijn geluk in Frankrijk, nadat hij zijn meubels uit de boedelscheiding in de molen had ondergebracht. Frankrijk werd niets.

Een zaak die hij daarna in Geleen-Lutterade opzette, en waar een dochter uit de molen een dienstbetrekking aanvaardde, moest na enkele maanden worden opgeheven. Het toeval wilde dat in de buurt van deze winkel een vrouw woonde die met de molenaarsvrouw vriendschappelijke betrekkingen onderhield. Op instigatie van haar werd de dochter bij Janssen weggehaald. Er deden onfrisse praatjes de ronde.

Hier moet de eerste irritatie bij de Belg ontstaan zijn, want hij begon met het uiten van dreigementen — niet alleen aan het adres van de ouders van het meisje, maar ook richting de burgemeester van Nuth, die aangeraden had het kind onder voogdij te stellen.

Was hij zich vroeger al eens te buiten gegaan aan een glaasje, nu begon hij te drinken als een tempelier. En verkeerde hij in beschonken toestand, dan bleek meer dan eens dat zijn doen en laten beheerst werden door handelingen waarbij onbeheerstheid en agressiviteit om de voorhand streden.

Inderdaad — hij was zeer heftig van aard. Hij kon om niets in hevige toorn ontsteken. Kortom, het is duidelijk: we hebben hier te maken met “eine opgereegde gek”. Zijn persoonlijke rampspoed schreef hij immer aan anderen toe. Dat de oorzaak ook wel eens bij hemzelf te vinden zou kunnen zijn, kwam gewoon niet in hem op.

Steeds vaker gaf hij gehoor aan zijn driften — kwalijke uitvloeisels van zijn galhumeurig karakter. Na het plegen van zijn afschuwelijke daad kwam voor de rechter naar voren dat hij in het verleden al eens een maand gevangenisstraf had opgelopen, omdat hij ten huize van zijn schoonouders de boel kort en klein geslagen had. En, saillant detail: er werd ook gewag gemaakt van een proces-verbaal wegens ongeoorloofd wapenbezit!

Vreemd genoeg pakte hij de draad van zijn echtelijk leven weer op, verzoende zich met de moeder van zijn kind en vestigde zich vervolgens in Houthem-Broekhem, niet ver van de plaats waar hij nieuw emplooi gevonden had: het steenkolenmagazijn bij het station van Valkenburg.

In dit kader is het begrijpelijk dat hij op zekere dag de familie Wevers beleefd doch zeer dringend verzocht zijn aldaar opgeslagen meubels weer aan hem af te staan.

Mooi niet!

Waarom gebeurde dat niet? Ze kwamen hem toch rechtens toe? Of was er slechts sprake van een misverstand betreffende de afleveringsdatum? Mogelijk is eveneens dat de verhouding tussen beide partijen door de kwestie Lutterade zodanig vertroebeld was dat van een vruchtbare communicatie geen sprake meer was.

Navraag bij degenen die van deze materie meer moeten weten levert slechts ontwijkende antwoorden op. Ze doen alsof een taboe doorbroken wordt:

“Daar praat men niet over,” of: “Dat is al zo lang geleden.”

Zoeken naar een objectieve waarheid schijnt bij deze lieden een verdachte bezigheid te zijn.

Janssen begreep in elk geval dat ieder woord tijdverspilling betekende. Er was werk aan de winkel — er moesten knopen worden doorgehakt.

Heel vroeg op die bewuste zondagmorgen stak hij een pistool bij zich, een Browning, en in een lucifersdoosje achttien patronen. Al om zeven uur werd hij in Nuth gesignaleerd, per fiets, in de buurt van de molen...

Reacties

Populaire posts van deze blog

VOORWOORD

1. Zondagochtend 25 juni 1933

4. De Hinderlaag