12. Getuigen
12.
Getuigen
Een vijftiental getuigen is gedagvaard, de deskundigen
meegerekend. Met enkele schaarse uitzonderingen dienen de meeste verklaringen
slechts ter bevestiging van reeds bekende achtergrondinformatie; ze kunnen de
bestaande versie nauwelijks bijstellen. Dat neemt niet weg dat de eenvoudige
lieden op de overvolle publieke tribune op het puntje van hun bankjes zitten en
zich nauwelijks de tijd gunnen om even de benen te strekken. Zelfs het
omzichtig, soms omzwachteld praten van de deskundigen — dat de menigte geregeld
in verwarring brengt — kan de spanning in de zaal niet breken.
Rationele overwegingen spelen bij het publiek nauwelijks een
rol. Bewust of onbewust is men gekomen om zich te verlustigen in sensationele
onthullingen en dramatische taferelen — en wat dat laatste betreft worden zij
niet geheel teleurgesteld.
De kinderen van de slachtoffers
De verklaringen van de kinderen spreken het meest tot de
verbeelding. Vooral het schrijnende besef dat niets het gemis van hun ouders
kan verzachten, doet velen de ogen neerslaan. Het snikken in de zaal, vooral
direct na het optreden van de twee wezen, overstemt elk ander geluid. Wie ook
maar een flauwe notie heeft van de impact van de Zangeres zonder Naam begrijpt
de emotionele reacties – zonder dat dit iets afdoet aan mevrouw Servaes, en nog
minder aan de betrokken families.
Harie Krings – een indrukwekkend optreden
De onbetwiste held van de zitting is de 17-jarige Harie
Krings, zoon van de om het leven gebrachte Martha Moonen. Zijn gelijkenis met
zijn moeder is treffend — als twee druppels water — en alleen al daardoor sluit
de zaal hem in het hart. Hij draagt het zwarte rouwlint op de mouw, zoals
destijds gebruikelijk, en daarmee wordt nog eens onderstreept hoe diep de
ellende is die over de molen is neergedaald.
Hij begint met een zweem van verbetenheid in zijn stem, die
door de puberteit gebroken klinkt en vele toehoorders een brok in de keel
bezorgt. Zijn woorden sluiten aan bij de verklaring van de vorige getuige,
Maria Moonen, die beschreef wat zij vanuit haar winkel tegenover de molen had
waargenomen. (Haar doodernstige manier van vertellen was opvallend misplaatst,
temeer daar zij de winkeldeur gewoon sloot en niets ondernam — iets waarop de
aanklager later zal inhaken: met meer moed was mogelijk een tweede slachtoffer
voorkomen.)
Op een vraag van de president verklaart Harie dat hij de
Belg die zondagmorgen nog gezien heeft, vóór hij om kwart voor tien naar de
hoogmis ging. Tijdens de dienst merkte hij dat er iets ongewoons gaande moest
zijn; de koster schoot plots de sacristie uit om de pastoor iets opgewonden toe
te fluisteren.
Buiten de kerk stond hij oog in oog met twee nonnen van het
Gezellenhuis, die hem opwachtten — wat een golf van commotie onder de
kerkgangers veroorzaakte. Pas daarna drong het tot hem door dat de opwinding
zijn familie betrof. Het nieuws sloeg in als een bom.
Na de middagmaaltijd hield hij het niet meer uit en rende
naar de molen, maar hem werd de toegang geweigerd: het onderzoek was in volle
gang. Bij winkelier Muytjens werd hij naar binnen geroepen en daar overhandigde
men hem tot zijn verbijstering het verroeste wapen van zijn stiefvader. Hij
wist niet wat ermee te doen en gaf het aan de veldwachter.
Over de verhouding met Janssen
De rechter verandert van koers:
"Hoe was de verhouding tussen verdachte en uw
stiefvader?"
Harie:
“J-ja… enkele jaren terug was het goed. Janssen kwam nogal
eens op de molen.
Maar sinds een jaar, nadat ze fikse ruzie hadden — waarover weet ik niet —
waren er alleen maar bedreigingen.
Als ze elkaar toevallig tegenkwamen, of als Janssen om geld of de meubels kwam,
riep hij dreigementen.”
“Niet lang geleden hoorde ik hem zeggen: ‘Ik steek je nog
eens kapot.’”
Alle ogen richten zich op Janssen, die na even misbaar te
hebben gemaakt nu met de armen over elkaar star voor zich uit kijkt, alsof het
hem allemaal niets aangaat.
De angstige vriend van Janssen
De volgende getuige is een landbouwer uit Nuth, een vriend
van verdachte. Zijn blik reikt niet verder dan de horizon — een bange wezel die
voortdurend naar de Belg kijkt en wiens verklaringen verzinken in gestamel.
De president leest hem zijn eigen woorden voor:
“U verklaarde eerder dat beklaagde zich dreigend uitliet
tegenover Wevers.”
De man fluistert:
“Ik weet het niet meer.”
De president, streng:
“Ik lees hier: ‘Ze zullen van de meubels geen plezier
hebben.’
Waar of niet waar?”
Getuige, nerveus naar Janssen starend:
“Ik… weet het niet meer, edelachtbare.”
De rechter, korzelig:
“U staat onder ede. U bent hier om de waarheid te spreken —
ook al bent u een vriend van verdachte.”
Het helpt niet. De man blijft stamelen:
“Ik weet het echt niet meer…”
De president geeft het op.
De caféhouder
De laatste getuige is caféhouder Szymanski uit Hunnecum.
Zijn Nederlands is gebroken, maar zijn verhaal helder:
Janssen kwam na tienen zijn café binnen.
Zijn kleren zaten onder het bloed.
Hij dronk twee potten bier.
Daarna overhandigde hij Szymanski een revolver en een
lucifersdoosje met patronen, met het verzoek die te bewaren.
Szymanski:
“Ik vroeg hem waar hij vandaan kwam.
Hij zei: ‘Ik heb daar bij Wevers alles overhoop gehaald. Eén is verrekt – of de
man, of de vrouw.’
Toen liet hij mij het mes zien.
Hij zei ook dat zijn revolver niet gewerkt had — het was geketst.”
Hoe het mes in het café terecht kon komen, terwijl
wachtmeester Aartsen verklaard had dat het steekwapen bij de molen gevonden
was, zal waarschijnlijk nooit meer opgehelderd worden. De president laat de
kwestie rusten.
Reacties
Een reactie posten