6. De Vlucht
6.
De Vlucht
Na zijn daad blies de dader, de Belg Janssen, per fiets de
aftocht. Het braaksel van zijn rancune vertoonde twee door messteken verminkte
lichamen en het begin van brand in de molenaarswoning. Dit spoor van verderf
stond in flagrante tegenspraak met het beeld van de kalm voortpeddelende man in
de vredige harmonie van het landschap in de warme morgenzon.
Hoe verder hij zich van de windmolen van Nuth verwijderde,
hoe langzamer zijn benen de trappers van zijn rijwiel op en neer bewogen. Zijn
brein werd bestormd door beelden en gedachten, en in een flits was het tot hem
doorgedrongen dat hij zich nauwelijks een voorstelling had gemaakt van wat hem
na de daad te doen stond.
Gewoon naar huis gaan? En dan doen alsof er niets gebeurd
was? De onderzoekende blikken van zijn vrouw weerstaan? Met haar viel sowieso
toch niet te praten, zij zou het niet begrijpen, in een hysterisch geschreeuw
alle heiligen bij elkaar roepen. Meer dan genoeg had hij van haar laatdunkende
en hondse behandeling.
De zachte wind speelde over de akkers en weiden. Hij stapte
af, wiste zich het vocht van het voorhoofd en keek om zich heen. Een ogenblik
stond hij daar, helemaal alleen in het weidse landschap; een gevoel van
verlatenheid maakte zijn besluiteloosheid nog groter. Daar achter de heuvel lag
Valkenburg. Nee.
Hij stak resoluut de weg over en fietste terug. Naar de
molen? Naar de plek des onheils? In ogenschouw nemen wat hij aangericht had?
Zouden ze dood zijn? In elk geval: hún bekomst hadden ze gehad. Niets duidde
erop dat de rust van deze zondagmorgen door een vreselijke tijding verstoord
was. De enkeling die hij passeerde, groette hem als vanouds. Ongerust hoefde
hij zich hier nog niet te maken. Of wilde hij dat ze hem maar kwamen
arresteren?
In Hunnecum, bij zijn stamcafé van vroeger, stapte hij af.
Zoals altijd zette hij het rijwiel achterom en even later sloeg de cafédeur met
een gerinkel achter hem dicht. Hij voelde het meteen: de mare was hem niet
voorbij gesneld, terwijl toch de molen slechts een haneschree verderop lag.
Straks, na de hoogmis, zou de drukte beginnen; dan moest hij ook weg zijn. Hij
zag hen al in gedachten binnenkomen met gezichten rood van opwinding: Hebben
jullie het al gehoord?
Zo bedaard mogelijk nam hij plaats achter de bar en bestelde
een pot bier. Zijn handen trilden. De spanning die nu zijn ziel leek te
verscheuren deed hem een moment de handen voor de ogen slaan. Toen hij weer
opkeek, keek hij in de bruine ogen van de waard, een Pool, die met een
geroutineerd gebaar het gevulde glas voor hem neerzette en vervolgens zijn
handen aan een doek bij de tap afdroogde.
Een bijna onweerstaanbare drang om het uit te schreeuwen
maakte zich van de Belg meester. Hij begon, onverschilligheid voorwendend, een
praatje met de herbergier. Af en toe, de vuile glazen in het water dompelend,
keek de waard op, zonder echte interesse. De natte hand onder de opgestroopte
mouw bleef de glazen in de borstel drukken. Wat probeerde de Belg hem toch te
vertellen?
Met verbazing zag de Pool de rechterhand van de Belg
onverhoeds over de toonbank in zijn richting gaan. Instinctief nam hij het
aangereikte aan. Vliegensvlug borg hij het zware voorwerp onder de toonbank, en
even later het lucifersdoosje met nog elf patronen. Was die Janssen gek
geworden? Wat had die Belg nu precies verteld? Toen de ander hem het kerfmes
toonde, keek de caféhouder over diens schouder de gelagkamer in, duidelijk niet
meer op zijn gemak. Of hij het pistool enkele dagen in bewaring wilde nemen!
Wat was die Janssen van plan? Hij deed nu zo nerveus, zo onrustig. Hij wilde
zich toch niets aandoen?
Na het tweede glas geleegd te hebben nam de Belg afscheid.
Hij had zichzelf nauwelijks meer in bedwang; zijn doen en laten werden te
krampachtig en begonnen de aandacht te trekken. Vlug greep hij de fiets en reed
maar voort, niet meer in staat helder te denken. Een lichte paniek maakte zich
van hem meester. Het trilde over zijn hele lijf, alsof hij koorts had.
Waar naartoe? Was alles wel echt gebeurd? Het leek nu zo
lang geleden. Misschien had hij het wel gedroomd. Alles leek zo gewoon. Wat had
hij nu precies gedaan? Hij trachtte zich details voor de geest te halen, maar
het lukte niet. Het was wel gemakkelijk gegaan, zijn wraak was compleet
geweest. Beter had hij zich de omstandigheden niet kunnen wensen.
Dat gezicht van Wevers… ja, dat zag hij nu vóór zich. Die
man was volledig verrast. En waarom had hij er zich mee bemoeid?
Op de kruising in Valkenburg, achter de spoorbomen, sloeg
hij links af en tien minuten later meldde hij zich bij een collega van het werk
in Schin op Geul. Daar wachtte hij gelaten af. Vroeg in de middag ging de bel.
Langs het silhouet van zijn werkgenoot ontwaarde hij de koorden en tressen van
de uniformen der marechaussees.
Reacties
Een reactie posten